De ziel van Reginald, legende uit de 13e eeuw
Waleram en Reginald woonden op het oude burchtslot "Valkenburg". Beide broeders hadden de schoone Alix, dochter van den graaf van Gulik, lief; beiden vroegen haar ten huwelijk. Waleram was de gelukkige, die hare hand verwierf en de jonge echtgenoote in triomf naar het vaderlijk slot voerde. Dit deed Reginald zoozeer in woede ontvlammen, dat hij besloot zich te wreken.
Toen het bruidspaar op reis was, verborg hij zich in het slot op den Dwingel (een gedeelte van den berg bij Valkenburg waar men nu nog de ruïnen van het oude slot kan zien) en toen de jonggehuwden van hunne reis terugkwamen, sprong hij te voorschijn en stak hen beiden beurtelings den dolk in het hart. Waleram had nog de kracht zijn rechterhand op de bloedende wonde te leggen en ze vervolgens op het voorhoofd zijns broeders te drukken. Hierna zonk hij naast zijne bruid neer.
Reginald deinsde terug voor zijne daad, boog zich over de schoone Alix en sneed een lok van het golvend haar. Na het uitstooten van een akeligen gil ontvlood hij de burcht. Den volgenden morgen heerschte er eene groote ontsteltenis en droefheid op den Dwingel want het jonge bruidspaar was algemeen bemind. Elkeen verdacht Reginald doch men zocht hem te vergeefs.
In het Ravenbosch leefde een heilig[e] kluizenaar die bijna dag en nacht voor het altaar bad. Middernacht had geslagen toen er hevig aan de deur werd geklopt en eene stem smeekte binnen gelaten te worden. De kluizenaar deed open en herkende dadelijk Reginald van Valkenburg, die hem vol wanhoop het ontzettende drama vertelde. Het teeken op zijn voorhoofd was onuitwisbaar. Na alles gehoord te hebben, zeide de kluizenaar: "Blijf hier tot ik den Heer gevraagd heb door welke boetedoening gij u met Zijne rechtvaardigheid kunt verzoenen." Na een lang gebed, sprak de kluizenaar: "Ziehier wat de Heer u gelast: Als nederige boeteling zult ge u naar het noorden begeven, steeds zult ge in die richting voortgaan tot de grond aan uwe voeten zal ontbreken en dan zullen de omstandigheden u verder helpen."
Nadat Reginald de haarlok van Alix in de Godslamp had verbrand, stapte hij verder op het onbekende pad. Buitengekomen plaatsten zich twee menschelijke gedaanten naast hem. De geest aan zijne linkerzijde spiegelde hem allerlei genoegens der jeugd, riddervermakelijkheden, enz, voor. Die aan de rechterzijde spoorde hem aan tot boetedoen.
Weken en weken wandelde hij in dit gezelschap voort tot op zekeren dag de grond onder zijne voeten ontbrak en hij aan een grooten oceaan kwam. Daar naderde een bootje en de man die er in zat, gaf hem een teeken tot instappen. De boot bleef liggen bij een groot zwart schip op den oceaan. Op 't dek stond een tafel en een paar stoelen waarop de geheimzinnige geesten plaats namen. De zwarte gestalten haalden een beker en dobbelsteenen te voorschijn en begonnen te dobbelen om de ziel van den moordenaar.
En zoo drijft het sombere vaartuig, zonder stuurman, zonder roer, op de baren. Zes eeuwen drijft het daar reeds en menigmaal zien de zeelieden die de Noordzee bevaren van verre het spookschip de golven doorklieven en in 't verschiet verdwijnen. Wanneer de klok middernacht heeft geslagen, gaat er nog telkens een kreet op, geslaakt door een trillende menschelijke stem, en aan de vier hoeken klinkt het door de eeuwenoude hallen en torens des ruine te Valkenburg: "Moordenaar, moordenaar." Twee blauwe vlammetjes begeleiden overal die wraakkreten en ruim zeshonderd jaar hoort men op het bepaalde uur, die kreten en dwalen de vlammen rond de puinen.