De welboom
Lang, zeer lang geleden -zo werd mij vertel- stond nabij de binnenmuur van de stad, tegenover het slot, een boerderij, die aan Steven Jan toebehoorde. Van de dakvensters zag men uit op het kasteel, dat zich in de donkere wateren van de gracht weerspiegelde.
Steven Jan woonde er met zijn vrouw en reeds volwassen zoon, maar tot welstand wist hij het niet te brengen. Lag de schuld aan de slordigheid van zijn vrouw of aan de zorgeloosheid, waarmee de familie het boerenbedrijf behartigde? Of - zo meenden vele 's-Heerenbergers- aan het ongebonden leven van het drietal, waardoor geen zegen van hierboven op hen kon rusten? Want verre van voorbeeldig leefde het gezin: ter kerke gaan deed men maar hoogst zelden en hun doeken en drinken waren een gruwel voor ieder Christenmens.
Eens braken de zwarte pokken uit. Als een gesel des Heren ook de doodsengel door het oude stadje en toen de ziekte geweken was, stond Steven Jan alléén voor zijn boerderij: zijn vrouw en zoon lagen op het kerkhof.
In plaats dat de boer tot inkeer kwam, nu hij de dood in het aangezicht gezien had, schenen zeven duivelen in zijn hart gevaren te zijn. Avond op avond lag hij in de herberg, speelde kaart, dronk als een ketellapper en waggelde tegen sluitingsuur naar zijn woning terug. Niemand durfde hem de toegang tot de taveerne weigeren, zo bevreesd was men voor zijn harde vuisten, maar iedere herbergier zag hem liever gaan dan komen. Het kaartspel en de drank waren de hartstochten, waarin hij vergetelheid poogde te vinden!
Zo trad hij op zekere avond een herberg binnen, die reeds tamelijk bezet was. Hij riep om kaarten, schudde ze driftig en nodigde verschillende mensen uit met hem te spelen. Sommigen deden, alsof ze het niet hoorden, anderen slopen de deur uit. Steven Jan werd woedend, beukte met de vuist op tafel, schreeuwde met een vreselijke vloek: "Durft dan niemand hier met mij te kaarten?"
Toen stond opeens uit een donkere hoek van de gelagkamer een in het zwart geklede heer op. Niemand had hem door de deur zien binnenkomen, niemand had tot nu toe zijn aanwezigheid opgemerkt en niemand kende zijn naam of had hem ooit eerder ontmoet. De vreemde gast schreed naar de tafel van Steven Jan en sprak: "Durf je met mij te spelen vriend?" Een ogenblik keek de boer in de koude ogen van de onbekende, toen riep hij: "Al was je ook de duivel, ik speel!"
Het spel begon. Reeds in het begin was de inzet hoog. Het geluk scheen met de boer te zijn: zijn beurs was al spoedig gevuld en na korte tijd begonnen zich gouden zilverstukken voor hem op te hopen. Maar eindelijk keerde de kans, zijn winst smolt weg, zijn beurs bevatte tenslotte niets meer. Grijnslachend zat de onbekende tegenover hem, velen van de omstanders zagen met leedvermaak naar de beteuterde boer, wiens woede steeg; hij zette een stuk land in en ... verloor het; hij zette zijn huis in en ... verloor het; hij haalde als laatste bezit de gouden trouwring van zijn overleden vrouw en ... verloor het kleinood. Kletsend smeet hij de kaarten neer en ging de deur uit; de vreemdeling volgde hem. De volgende avond kwam Steven Jan weer in dezelfde herberg en ledigde lachend de inhoud van zijn beurs op tafel; goud
Al leverde de boerderij niet veel meer op, Steven Jan had geld in overvloed. Aan drank smeet hij 't weg. Maar toch, ondanks zijn liederlijk leven, geen arme klopte bij hem aan, of hij gaf hem rijkelijk. Zelfs als hij door 's-Heerenberg stapte, kon hij niet nalaten een of andere arme drommel wat los geld in de handen te drukken.
Zo gingen er enige jaren voorbij. Wie kende Steven Jan niet?
Van heinde en verre kwamen de bedelaars en armen en klopten bij de boer aan. Ze werden begroet met vloeken, maar met gevulde hand trok ieder weer heen! Maar toen kwam er een tijd, dat men zijn luidruchtige lach niet meer hoorde en hij het schertsen vergat. Somber en nors zat hij in de herberg en zwijgend dronk hij het ene glas na het andere leeg. Iedereen verwonderde zich over de verandering! Had hij zich bekeerd? Het scheen, want men zag hem zelfs de krotten van de armen binnengaan en het was, of er een droevige trek over zijn gelaat gleed, als men tot hem zei: "God lone het je, Steven Jan!"
Soms zag men hem op straat stilstaan en gedachteloos voor zich uitstaren; plotseling scheen hij dan tot bezinning te komen en stapte mompelend verder. Groeten deed hij niemand meer! Zo nu en dan kreeg hij ware driftbuien; dan schold en vloekte hij iedereen uit, zodat men dacht, dat hij krankzinnig was geworden.
Toen kwam de zaterdagavond, die heel 's
Het werd nacht. Overdag was het vrij warm geweest, maar tegen de avond waren wolken komen opzetten. Nu was de hemel dreigend geworden en het weerlicht kaatste langs de horizon. Gerommel van de donder weerklonk, enige felle knetterslagen daverden en de meeste inwoners verlieten toen hun bed, om het einde van het onweer af te wachten.
Ondertussen had een stroper, die door het noodweer overvallen was, zich gehaast, om het onveilige bos te verlaten en in een schuurtje bij enige akkers het verloop van het onweer af te wachten. Opeens, bij het flitsen van een bliksemlicht, zag hij Steven Jan, die onvermoeid achter de welboom aanstapte. Steeds feller werd het noodweer, de regen stroomde, de hemel scheen met vuur gevuld te zijn, maar toch scheen de boer de natuurelementen te willen trotseren en schreed voort te midden van de bliksemschichten, die de lucht met daverend gedonder verscheurden. Plotseling schoot een vuurzuil met ratelend gerommel neer, het paard steigerde en sloeg op hol, de welboom achter zich aan. Steven Jan was verdwenen .....
Ook boven het stadje dreunde het noodweer zijn verdelgingslied. Telkens en telkens schrok men op bij felle knetterslagen en opeens hoorde men het bange galmen van de brandklok: de bliksem was ingeslagen. Waar? Niet lang hoefde men het te vragen: een zware rookzuil sloeg op uit de boerderij van Steven Jan. De velen, die door de plasregen erheen liepen, zagen al spoedig, dat met de gebrekkige hulpmiddelen aan blussen niet te denken viel. De vlammen rekten zich uit de vensteropeningen, vuurtongen streelden het strooien dak, spoedig stond alles in lichter laaie. Opeens hoorden de toeschouwers een paard aanhollen, de welboom achter zich aan. Het paard van Steven Jan! Was de stadspoort open geweest? Briesend sprong het paard door de opzij gestoven menigte en rende op de brandende schuur aan, verdween daarin. Even later hoorde men weer het gerammel van de welboom; het scheen, dat het paard de schuur aan de andere kant weer verlaten had.
Zondagmorgen kwam de stroper het stadje binnen en vertelde aan ieder, die het maar horen wilde, zijn wedervaren. Velen togen naar de akker, waar zij een roetzwarte plek vonden en op het pad ernaast een jas, de jas van Steven Jan. Maar noch hij, noch zijn paard, noch de welboom werden teruggevonden!
Toch gebeurde het soms als 's nachts het onweer over 's-Heerenberg daverde, dat bewoners van het stadje het denderen van een welboom hoorden. Openden zij de deur, dan zagen zij iets gloeiends voortrollen, dat spoedig verdween. Men zei dan, dat Steven Jan weer rondspookte tot straf voor zijn zonden en om de 's-Heerenbergers als waarschuwend voorbeeld te dienen.
Maar nog is het verhaal niet ten einde. Vele jaren later moet iemand een verschijning gekregen hebben van Steven Jan, die hem mededeelde, dat hij door zijn liefdadigheid door God in genade was aangenomen. Van de welboom hoorde men daarna niets meer!
Dit verhaal -sinds overoude tijden aan het haardvuur verteld en nòg hier en daar bekend- schijnt een diepe indruk gemaakt te hebben op de bewoners van 's-Heerenberg. "Wie zich aan een ander spiegelt, spiegelt zich zacht", en zo staan de 's-Heerenbergers tot in de wijde omtrek om hun liefdadigheid bekend. Als zij iets over hebben, geven ze het graag aan de minderbedeelden! Moge deze milddadigheid voort blijven leven tot in verre geslachten!